De concurrent als wolf in schaapskleren

blurring2

De concurrent als wolf in schaapskleren

Toegegeven: ik kan niet multi-tasken. Het blijkt gelukkig een cognitieve onmogelijkheid voor ons allemaal. Ons mensenbrein kan simpelweg maar één ding tegelijk. Waar wij kennelijk wel goed in zijn, is “task-switchen”. Onze hersens zijn steeds beter staat om sneller te schakelen tussen verschillende informatiebronnen. Tijdverlies is dan ook niet langer acceptabel voor de eigenwijze en gejaagde consument anno 2017. Die wil vooral snelheid, gemak, genieten en beleven. (bron: https://www.rabobankcijfersentrends.nl/index.cfm?action=branche&branche=Detailhandel_non-food)

De aantrekkingskracht van branchevervaging, waarbij een assortiment wordt gemixt of afgestemd op een bepaalde doelgroep of lifestyle, blijkt ongekend groot. Met name retail en horeca spelen op die trend in. Wie op zaterdagochtend luiers vergeet bij de supermarkt, kan ze ’s middags nog meenemen bij de bouwmarkt. De was doen was nooit zo leuk als bij de “Wasbar”, een wasserette, kapper èn bar in één. En diegene die nog een vakantie moet boeken, slaat meerdere vliegen in een klap bij een reisbureau dat ook vakantiekleding, reisboeken en verrekijkers verkoopt. Dit fenomeen wordt ook wel “blurring”, branchevervaging of branchevervreemding genoemd. Deze trend is voor branches die niet kunnen of willen blurren een doorn in het oog. Ineens zijn daar ondernemers met concurrerende activiteiten, zonder dat die activiteiten goed zichtbaar zijn. De nieuwe concurrent blijkt een wolf in schaapskleren.

Vraag rijst overigens of er sprake is van echte concurrentie. Van een concurrent is in juridische zin pas sprake als het gaat om een ondernemer die werkzaam is binnen hetzelfde marktsegment èn binnen hetzelfde verzorgingsgebied. Maar is een ondernemer met een supermarkt wel werkzaam binnen hetzelfde marktsegment als een slijterij, alleen maar omdat hij ook een beetje drank verkoopt? Die vraag is in een recente uitspraak tussen een Albert Heijn te Someren en de Koninklijke SlijtersUnie beantwoord. Met name de Koninklijke SlijtersUnie zit op het vinkentouw als het gaat om (vermeende) oneerlijke concurrentie. In de afgelopen jaren heeft zij via de rechter bij herhaling geprobeerd branchevervagende ontwikkelingen tegen te gaan. Zo heeft zij in een kort geding –zonder succes- geëist dat gemeenten stoppen met het deelnemen aan pilot mengvormen van horeca en winkels. Uit andere uitspraken blijkt dat zij steeds om handhavend optreden vraagt tegen het verkopen of aan klanten schenken van alcohol in een “gewone” winkel.

De zaak tegen de Albert Heijn te Someren ging over de vraag of er permanent een leidinggevende moet zijn in het deel van de supermarkt waar de drank wordt verkocht, of dat het voldoende is dat de leidinggevende snel uit de supermarkt gehaald kan worden? Op de keper beschouwd is de wettekst hierover zo helder als glas en moet deze vraag bevestigend worden beantwoord. In de uitspraak is dit ook bevestigd. Deze zaak is met name juridisch interessant omdat de Albert Heijn betoogde dat de Drank- en horecawet niet strekt tot bescherming van de concurrentiebelangen van de SlijtersUnie. SlijtersUnie kan volgens de wet namelijk alleen maar een beroep doen op regels die strekken tot bescherming van haar belangen. De rechter geeft de Albert Heijn op dit punt in eerste instantie gelijk. De Dhw, met name art. 24 lid 1 Dhw, strekt niet ter bescherming van het door de SlijtersUnie behartigde concurrentiebelang. Echter, zelfstandige slijtersbedrijven worden volgens de rechter financieel benadeeld doordat aan hen verplichtingen zijn opgelegd (de permanente aanwezigheid van een leidinggevende in de slijtlokaliteit) waaraan in supermarkten gevestigde slijtersbedrijven niet aan hoeven te voldoen, terwijl in beide gevallen de geldende wettelijke voorschriften en feiten voldoende gelijkenis vertonen. Dat is volgens de rechter in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Via een omweg krijgt de SlijtersUnie alsnog gelijk. Niet dat zij daar wat aan heeft gehad. Albert Heijn heeft landelijk een nieuw systeem bedacht waarbij de deur van de inrichting wordt gesloten en bij de deur wordt een bel aangebracht. Na een druk op de bel komt de leidinggevende, opent de inrichting en gaat met de klant mee. Zo wordt voldaan aan de wettelijke eis dat tijdens de openstelling een leidinggevende aanwezig is. De praktijk is duidelijk weerbarstiger dan de juridische realiteit.

Voor klassieke ondernemers die niet willen vervagen zal er altijd een markt zijn. Ik lust best een wijntje bij de kapper, maar bij de slijterij wil ik geen haarproducten zien of ruiken. Mijn brein mag dan kunnen task-switchen, ik bepaal nog altijd zelf het takenpakket.

Door: Judith Woolderink, legal consultant bij Royal Haskoning/DHV